• Thomas Rosdorff

Tekorten in de jeugdhulp

Voor gemeenten én aanbieders zijn tekorten in de jeugdhulp nog steeds een groot probleem. In 2015 kregen de gemeenten de verantwoordelijkheid over de jeugdzorg, terwijl het Rijk tegelijkertijd op het budget bezuinigde.


In mijn rol als regionaal programmamanager transformatie Jeugdzorg stond ik in de regio IJsselland aan de wieg van dit proces. Een enorme operatie, met hoge kosten, een grote bezuiniging en bovendien met een zeer kwetsbare doelgroep. Tot en met 2017 lagen de bedragen, de bezuinigingspercentages en de daarbij behorende contractafspraken vast in de verschillende regionale transitiearrangementen.

Regel 1 vanuit de overheid was dat er geen kind andere zorg mocht krijgen dan voor 1 januari 2015. Zorgcontinuïteit noemde men dat om te voorkomen dat kinderen slachtoffer werden van een van de grootste veranderingen in het zorglandschap van de afgelopen 10/15 jaar. Dat zette de bedragen (incl. korting van soms wel 15%) voor zowel de gemeenten als de aanbieders vast voor zeker 2 jaar. Daarmee was de spreekwoordelijk transformatiegeest al voordat de decentralisatie moest beginnen uit de fles.


De broodnodige gezamenlijke transformatie op grote schaal bleef uit

Sinds 2017 lopen de tekorten op de jeugdzorg bij gemeenten op enorm op: in 2019 landelijk tot een bedrag van 1,7 miljard euro, zo werd eind vorig jaar bekend. Door deze tekorten moeten de gemeenten de lasten voor hun inwoners verzwaren en bezuinigen op bijvoorbeeld zwembaden en bibliotheken. Keuzes die gevoelig liggen en gemeenten voor lastige dilemma’s plaatsen. Op een schrijnende manier wordt steeds helderder hoe groot de tekorten zijn in de Jeugdhulp.


De overgang van de Jeugdhulp naar de gemeenten is echter nog steeds de juiste keuze is mijn mening. Gemeenten weten immers wat er speelt onder de bevolking en er is directe aansluiting met het lokale veld mogelijk, dichtbij de inwoner.

Onderwijs, welzijn, armoede, kinderopvang, BSO etc. zijn allemaal zaken waar de gemeenten zicht op hebben. Zij maken het passende beleid en zouden dus aansluiting moeten vinden met de Jeugdhulp. Doordat de decentralisatie gepaard ging met een enorme bezuiniging (voor sommige gemeenten meer dan 15%) en een toenemend beroep op zorg bij de gemeenten zijn deze nu in de problemen gekomen.

Het tekort aan geld is één reden maar de praktijk laat zien dat investeren aan de voorkant (preventie) niet direct leidt tot minder uitgaven

Aan de ‘achterkant’ (geïndiceerde Jeugdhulp) stijgen de kosten nog steeds. AEF heeft in 2020 in opdracht van het Rijk en de VNG een onderzoek uitgevoerd met als hoofdvraag: ‘hoeveel middelen hebben gemeenten structureel nodig om hun taken voor wat betreft de jeugdzorg goed uit te kunnen voeren?’ Hieruit blijkt dat gemeenten 1,6 – 1,8 miljard euro meer uitgeven aan jeugdzorg in 2019 dan dat ze aan middelen vanuit het Rijk hiervoor ontvangen. In de jaren 2019 tot en met 2022 ontvangen gemeenten tijdelijk extra middelen, € 420 miljoen in 2019, en € 300 miljoen jaarlijks in 2020, 2021 en 2022.

Het onderzoek van AEF laat zien dat met name vanaf 2017 de uitgaven van gemeenten jaar op jaar flink stijgen. Oorzaken voor deze toename zijn dat kinderen steeds langer jeugdhulp ontvangen. Daardoor wordt het aantal kinderen dat jeugdhulp ontvangt steeds meer. De gemiddelde prijs per cliënt gaat daardoor omhoog.

Tevens zie je dat het verwijsrecht van huisartsen en medisch specialisten het gebrek aan contact en afstemming hiermee een instroom verzorgt waar gemeenten geen invloed op hebben.

Vaak zijn de doorverwijzingen naar de Kinder -en Jeugdpsychiatrie via de gemeentelijke toegang slechts tussen de 5 – 10% van het aantal doorverwijzingen. Dus slechts een klein deel is dan ook maar beïnvloedbaar door gemeenten. Breder kijken naar het gezin en de context waar het gezin in staat zou helpend zijn. Waar zitten de oorzaken van de problematiek, hoe zit het met de komenouders, de omgeving, de school etc.

Daar zit een duidelijke, integrale oplossing.

Tevens merk ik in de gesprekken met aanbieders dat ook de krapte op de arbeidsmarkt een probleem is. Groot probleem voor aanbieders is het vinden van goed, gekwalificeerd zorgpersoneel, kinderpsychiaters, groepsleiders, gedragswetenschappers etc. Aangezien het vak uitdagend is, onzeker qua toekomstperspectief, een hoge werkdruk heeft en er in toenemende mate druk wordt ervaren door bezuinigingen vanuit de overheid. Al deze zaken maakt het voor studenten niet heel aantrekkelijk om opleidingen in deze richting te kiezen waardoor er een enorme schaarste ontstaat op de arbeidsmarkt. Dit is een duidelijk neveneffect van de grote bezuinigingen de afgelopen jaren.

De conclusies van het onderzoek bieden handvatten voor het uitwerken van extra maatregelen. Aan het Rijk wordt geadviseerd om op onderdelen de uitgangspunten van de Jeugdwet te heroverwegen. Zij zullen samen met gemeenten een fundamentele discussie moeten voeren over het gewenste voorzieningenniveau. Ook wordt gemeenten geadviseerd de belemmeringen voor uitstroom te onderzoeken en daarop te sturen. Het beleid zal aangescherpt moeten worden op basis van inzichten uit het onderzoek van AEF.

De grote financiële problemen van veel gemeenten zijn momenteel bepalend voor het vormen van beleid.

Het werpt een kritische kijk op hoe er zorg wordt toegewezen door de gemeentelijke toegangen, huisartsen en de gecertificeerde instellingen. ‘Als de financiële positie van gemeenten namelijk niet verbetert zullen veel gemeenten zich gedwongen voelen een niet-sluitende begroting in te leveren’, schrijven de gemeenten onlangs in een brandbrief aan het Rijk.

‘Dan kunnen wij misschien geen rol meer spelen in het klimaatakkoord. Dan kunnen wij de omgevingswet niet uitvoeren. Dan worden wij wellicht gedwongen om voor uitgaven in het sociaal domein de financiële weigeringsgrond te hanteren. Dat betekent dat we, als het geld op is, bepaalde zorg niet meer kunnen bekostigen. Dat er wachtlijsten komen. Dit is zeer onwenselijk voor onze inwoners. Maar als het Rijk niet over de brug komt, worden we gedwongen om te kiezen tussen twee kwaden. Dan vindt er de komende jaren een enorme kaalslag plaats in de voorzieningen.’

‘De VNG wil samen met het Rijk opereren als één overheid die staat voor de hulp aan alle kinderen die dat nodig hebben’, aldus de gemeenten in de brandbrief. ‘Daarvoor moeten de gemeenten wel in staat worden gesteld om hun verantwoordelijkheid te nemen.’

Wellicht werpt de huidige formatie van een nieuw kabinet een ander licht op de zaak en ontstaat er wel ruimte voor dit zo kwetsbare dossier wat zich al enige jaren op deze manier voortsleept. Een licht waarin de zorg aan kinderen die het zo hard nodig hebben centraal blijft staan. Hulp die niet perse vanuit de zwaardere vormen van Jeugdhulp hoeft te komen, maar waarin het kind of liever gezegd het gezin in haar context wordt geholpen. Die context is de buurt, de school, de sportclub, de kinderopvang. Dus niet de ene zorg in plaats van de andere en de hoop op een (financieel) effect hiervan maar een échte samenwerking tussen verschillende werelden in het soms zo complexe zorglandschap.